Werken met GIS Deel 1: Verschillende soorten data

De basis van elke GIS-analyse begint bij de data zelf.

In deze eerste blog van de vierdelige serie “Werken met GIS” neem ik je mee in het fundament van elk geografisch informatiesysteem: de soorten data waarmee we werken.
Of je nu een beginnende gebruiker bent of al wat ervaring hebt, het begrijpen van de verschillende datatypen is essentieel om effectief te werken met GIS en om analyses goed te kunnen uitvoeren.

Wat is GIS eigenlijk?

GIS staat voor Geografisch InformatieSysteem.
Het is een combinatie van software, data en analyses die ons helpt om ruimtelijke informatie te begrijpen, te visualiseren en te analyseren.
In een GIS wordt alles wat je op een kaart kunt weergeven, van bomen en gebouwen tot temperatuur of hoogteverschillen, opgeslagen als data met een geografische component.

Die data komt in verschillende vormen. De drie meest gebruikte zijn:

  • Vector data
  • Raster data
  • Weblagen

Vector data: de bouwstenen van je kaart

Vector data bestaat uit geometrische vormen: punten, lijnen en polygonen.
Elk van deze vormen vertegenwoordigt een echt object op aarde.

  • Punten: worden gebruikt om objecten met een specifieke locatie weer te geven, zoals bomen, lantaarnpalen of adressen.
  • Lijnen: geven verbindingen of routes weer, zoals wegen, rivieren of kabels.
  • Polygonen (vlakken): tonen gebieden met een afgebakende grens, zoals gebouwen, percelen of natuurgebieden.

Vector data is nauwkeurig en flexibel. Het is perfect voor analyses op objectniveau: hoeveel bomen staan er in een park? Hoeveel vierkante meter beslaat een gebouw?
Daarnaast kun je aan elk object attributen koppelen, zoals hoogte, eigenaar, of type vegetatie, wat de basis vormt voor veel GIS-analyses.

Voorbeeld: Een gemeente kan met vector data precies zien welke gebouwen binnen een overstromingsgebied vallen, door de polygonen van gebouwen te kruisen met de vlakken van het risicogebied.

Raster data: de wereld als een mozaïek

Raster data ziet eruit als een afbeelding die is opgebouwd uit pixels (ook wel cellen genoemd).
Elke pixel heeft een waarde die iets zegt over de locatie die hij vertegenwoordigt: bijvoorbeeld hoogte, temperatuur, of de aanwezigheid van vegetatie.

Rasterdata wordt vaak gebruikt bij continue data, waarbij waarden niet op specifieke punten voorkomen maar geleidelijk over een gebied veranderen.
Voorbeelden zijn:

  • Hoogtekaarten (Digital Elevation Models)
  • Satellietbeelden
  • Luchtfoto’s
  • Klimaat- of bodemkaarten

Raster data is bijzonder krachtig voor analyses waarbij oppervlakte en patronen belangrijk zijn. Denk aan het berekenen van waterafvoer, het detecteren van veranderingen in landgebruik, of het analyseren van temperatuurverschillen in stedelijke gebieden.

Voorbeeld: Een milieudienst kan met rasterdata luchtvervuiling in kaart brengen en de concentratie fijnstof per wijk analyseren.

Weblagen: data direct uit het internet

In moderne GIS-omgevingen (zoals QGIS of ArcGIS Pro) kun je gebruikmaken van weblagen: datasets die online beschikbaar worden gesteld via een server.
In plaats van data lokaal op te slaan, kun je deze rechtstreeks inladen via een URL.

Veel organisaties, zoals overheden, waterschappen of open-data-platforms, bieden webservices aan, bijvoorbeeld:

  • WMS (Web Map Service) – alleen visuele kaartweergave
  • WFS (Web Feature Service) – toegang tot bewerkbare vector data
  • WMTS (Web Map Tile Service) – rasterdata in kaarttegels

Het grote voordeel van weblagen is dat ze altijd actueel zijn. Je werkt dus met de meest recente versies van luchtfoto’s, topografische kaarten of basisregistraties.

Voorbeeld: Door een WFS van het Kadaster te gebruiken, kun je actuele perceelgrenzen inladen zonder handmatig bestanden te downloaden.

Waarom het onderscheid belangrijk is

Elk datatype heeft zijn eigen sterktes, beperkingen en toepassingen.
Wanneer je een GIS-analyse uitvoert, is het cruciaal om te weten welk type data je gebruikt, dit bepaalt namelijk welke tools en bewerkingen beschikbaar zijn.

Bijvoorbeeld:

  • Je kunt buffers maken rond vectorobjecten (zoals wegen).
  • Maar je hebt rasterberekeningen nodig om hoogteverschillen te analyseren.
  • En als je werkt met weblagen, is een stabiele internetverbinding en kennis van servicestructuren belangrijk.

Een goed begrip van deze verschillen helpt je om efficiënter te werken, betere kaarten te maken en fouten in analyses te voorkomen.

Tot slot

GIS draait niet alleen om kaarten, maar om het begrijpen van data in ruimte en tijd.
Of je nu werkt met vector-, raster- of webdata, het fundament ligt in het kennen van de structuur van je dataset.

In Deel 2 van deze serie duiken we in de handige basistools binnen GIS, zoals snapping, identificeren en statistische overzichten.

Zie hier de link naar de Linkedin post

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Scroll to Top